Interview met Hanna’floor

Hanna’floor is een van de docenten die met regelmaat op basisscholen invalt. Met dit interview willen wij de mogelijk bieden om kennis te maken met Hanna’floor.

Wie is Hanna’floor?

Mijn naam is Hanna Floor, ik ben boven de 40 jaar en woon in Nijmegen. Sinds januari 2020 ben ik werkzaam via Talentiko. 

Hoe ben jij bij Talentiko terechtgekomen? 

Via Lukida ben ik bij Talentiko terecht gekomen. Ik was daar bij een bijeenkomst aanwezig. Ze spraken over een soortgelijke organisatie in Utrecht en daar was ik wel nieuwsgierig naar. Over beide organisaties ben ik te spreken. 

Wat voor soort lessen geef jij op scholen?

Mijn lessen zijn multidisciplinair. Meestal komt er theater, muziek en storytelling in voor. Ook verwerk ik poëzie en beweging in mijn lessen. Net als vele anderen hou ik ervan om thematisch te werken. Ik vind het fijn om de hele dag rondom één thema bezig te zijn.

Kan jij een paar voorbeelden geven van thema’s waarmee jij werkt?

Ik heb bijvoorbeeld een paar keer gewerkt met het boek ‘De meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman. Ik werk twee verhalen uit en bespreek met de kinderen hoe zij hierover denken. Wat ik overigens heel interessant vond, is dat ik twee keer in mijn lessen de kinderen in groepen heb verdeeld. Daarvan stond de groep kinderen dat denkt dat de meeste mensen deugen, aan de linkerkant van de klas en de groep van kinderen die dachten dat de meeste mensen niet deugen, aan de rechterkant van de klas. Vervolgens gingen ze met elkaar bespreken waarom ze dat wel vonden of waarom niet. Voor mijzelf is dat ook een hele boeiende les, om er zo achter te komen wat er dan in de kinderen speelt als we zo een onderwerp in de klas bespreken. Ik vind het dan heel grappig om te horen hoe ze aan hun mening komen, dat is bij elk kind natuurlijk verschillend.

Verder hou ik heel veel van dieren. Ik kan gerust met een kleuterklas de hele dag met het thema “de zwaan” aan de slag. Ik behandel dan bijvoorbeeld meerdere sprookjes waar de zwaan in voorkomt. Verder ga ik vaak aan de slag met bepaalde gevoelsthema’s, zoals; vriendschap, woede, omgaan met emoties, maar ook vaak de verbinding tussen mens en dier, of de bewustwording van hoe je denkt en hoe je ook anders kan denken. 

Zelf speel ik ook voorstellingen. Aan het begin van de dag begin ik hier wel eens mee, of doe ik de voorstelling als een vertelling (dus met minder toeters en bellen). Waarna ik weer verder ga met een bepaald thema. 

Hoe ziet een lesdag op school er voor jou uit?

Elke les is bij mij wel heel verschillend. Vaak begin ik met iets wat de kinderen inspireert of verrast. Hierdoor voel ik vaak dat ze zin hebben om verder te gaan met de les. Dit kan met muziek zijn, het kan een verhaal zijn, als je de kinderen maar warm laat lopen voor de les. 

Meestal zit er ook een tekenopdracht of theateropdracht in de les. Als het lukt met een groep vind ik het ook heel leuk om de kinderen in groepjes theater te laten spelen. Ik ben vrij flexibel en kan goed improviseren. Als ik merk dat de aandacht van kinderen ergens heel erg naar toe gaat, maar ik eigenlijk een ander plan voor ogen had, kan ik het plan ook wel goed loslaten. Toch zijn er bepaalde elementen die ik vrijwel altijd terug laat komen in mijn lessen.

Ik zou het leuk vinden om nog meer met knutselen te doen. Dat vind ik heel leuk, maar heb dat eigenlijk al lang niet meer zo uitgebreid gedaan. Ik moet mij meer verdiepen in wat er allemaal mogelijk is, dat is wel mijn plan. 

Ik vind de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen ook erg interessant en vind het fijn om mij daar mee bezig te houden.

Wat zijn materialen die jij tijdens de lessen gebruikt?

Ik heb bijna altijd wel muziekinstrumenten bij me. Ik heb ooit hele gave ballen bij een tankstation gevonden, deze neem ik ook vaak mee. Een knuffeldier of een beeld van het thema dat we die dag gaan bespreken, dat kan van alles zijn.

Ik bedenk me vaak bij het voorbereiden van de les, welke materialen leuk zijn om bij de les te betrekken. Deze neem ik dan mee. Ik geniet er altijd van, hoe leuk kinderen materie vinden. Als je het bijvoorbeeld hebt over een kikker en je haalt ineens de kikker tevoorschijn, komt er zo een enthousiasme op gang. 

Verder doe ik ook regelmatig dingen met handpoppen. Daar geef ik zelf ook vaak voorstellingen mee. Ik merk dan alleen wel dat het enthousiasme soms zo groot kan zijn, dat ik dat in banen heb te leiden. Soms zeg ik wel eens tegen een kind ‘Oké, je mag met de vos of de eekhoorn gaan spelen’. Ik heb al drie keer meegemaakt dat een kind in een mum van tijd dan zo gehecht is aan de handpop, dat het emotioneel is voor het kind om de handpop weer terug te geven.

Wat is jouw doel bij het lesgeven? 

Ik heb verschillende doelen in mijn lessen. Theaterdoelen vind ik altijd wel leuk om te verwerken, omdat kinderen dan ook gaan nadenken over bepaalde thema’s. 

Verder vind ik soms dat kinderen een beetje arm tekenen. Dat kan vaak mooier of beter, zodat het de kinderen zelf ook wat voldoening geeft. Ik ben nu ook aan het nadenken over hoe ik wat aanwijzingen kan geven over het tekenen. 

Ik vind de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen ook erg interessant en vind het fijn om mij daar mee bezig te houden. Als er ruzies zijn of als er een kind met emoties naar mij toe komt, vind ik het belangrijk om daar aandacht aan te besteden. Ik neem dit regelmatig ook mee in een opdracht. 

Wat is een gebeurtenis op school die jou is bijgebleven?

Het eerste wat nu in mij opkomt, is het verhaal van jongetje A die een heel mooie zwaan had getekend. ‘Wauw, dat is echt een hele mooie zwaan’, had ik tegen hem gezegd. Hij was denk ik 8 jaar, of misschien 9. Jongetje B zei daarna tegen hem dat hij zijn zwaan niet mooi vond. Jongetje A kwam vervolgens weer naar mij toe met, ‘Juf, jongetje B vindt mijn zwaan niet mooi’. ‘Hij is gewoon jaloers’, zei ik toen. ‘Nee’, zei jongetje A, ‘Hij is niet jaloers, hij haat mij’. ‘Oja?’ zei ik, ‘Zullen wij hem even roepen dan?’. 

Jongetje B kwam naar mij toe gelopen en ik vroeg hem wat hij van de zwaan van jongetje A vond. ‘Lelijk’ zei jongetje B. ‘Wat vind je van jongetje A?’ vroeg ik hem. ‘Stom’ zei hij. “O, kijk eens goed naar hem. Noem eens één ding dat jij leuk vindt aan jongetje A” vroeg ik hem. Hij antwoordde, ‘Ik weet niks’. Ik vroeg hem om nog een keer te kijken. ‘IK vind niks leuk’, zei hij. Ga maar terug naar je plaats, dirigeerde ik hem, en kom terug als je iets weet. Gelijk keek hij nog eens naar jongetje A. ‘Hij heeft leuke plannetjes’ zei hij, ‘En hij maakt leuke grapjes’. Jongetje A klaarde helemaal op. Je zag hem stralen. ‘O, hoor je dat jongetje A’, zei ik ‘Weet jij ook nog iets over jongetje B wat je leuk vindt aan hem?’ ‘Ja!’, hij sprong bijna op. ‘Hij is de sterkste van de klas en hij is stoer!’ zei jongetje A. Ze leefden helemaal op en de dynamiek veranderde, dat vond ik zo leuk om te zien. 

Hanna’floor